vrijdag 2 januari 2009

Oude doos: In termijnen

Haar halflange diepdonkerblonde haren wapperen zachtjes in de wind. Soms wat harder als de wind ineens verraderlijk om een hoekje heen komt. Het is een spel. Een spel waarbij de wind met haar haren speelt en zij zelf niets te zeggen heeft. Ze zwijgt al een tijdje, net als haar vriend die naast haar wandelt. Bij de vriend zijn de rollen net omgedraaid; met zijn bijna kaalgeschoren hoofd speelt hij met de wind. Soms staat hij stil om de wind tot een minimum te beperken, soms rent hij ineens snel vooruit om de wind tegenwind te bezorgen. Nu wandelt hij voor hem, dan weer achter hem, om vervolgens weer bij hem aan te sluiten.
Ineens, haast zonder aanleiding, maar in onuitgesproken afspraak met de wind die zijn adem inhoudt, spreekt hij met fluweelzachte stem, die niet lijkt aan te sluiten bij zijn robuuste bijna kale uiterlijk: “misschien is dat wel het probleem”. “Wat,” klinkt de verkouden stem onverschillig en nonchalant naast hem. “We vergeten de termijnen.” “Termijnplanning,” zegt ze plompverloren en nog steeds ongeïnteresseerd als reactie. “Nee, of ja, misschien ook wel.” De aandacht is nu toch ineens gewekt als ze zich naar haar vriend omdraait, waardoor haar haren voor haar ogen heen en weer beginnen te wiegen en ze verbaasd en enigszins verontwaardigd spreekt: “waar heb je het over?!” Hij wandelt, nog steeds recht voor zich uit kijkend, in gelijk dansende tred door en laat enkele voor haar opmerkelijke seconden stilte vallen. “We denken er niet over na,” klinkt het dromerig uit zijn mond. Het gezicht naast hem kijkt hem nog eventjes verward en enigszins afkeurend aan, maar went zich dan vervolgens ook weer naar voren. “Het zal wel,” klinkt het zachtjes vanachter haar lippen. “Nee, het is echt”, reageert hij nu ineens zeer direct en enthousiast naast zich kijkend. Als er niet direct reactie volgt, gaat hij verder: “kijk, we doen maar gewoon”. “Ja...” volgt er nu toch vragend als aanmoediging. “Heb je voorlopig nog tijd?” vraagt hij ineens op rustige toon en totaal uit het niets. Ze fronst haar wenkbrauwen, wanneer ze positief maar twijfelachtig antwoordt: “ja...” “Mooi, zullen we dan hier even wat gaan drinken?” Hij wijst op een rustig klein cafeetje, waarin de ondergaande zon haar laatste oranjeglansende stralen in laat verdrinken. Als hij vervolgens door de deur, die zij voor hem openhoudt, naar binnen stapt, ruikt hij een combinatie van rook en oud hout. Links vooraan verliest een verliefd koppel zich in elkaars ogen, rechts achterin de hoek laat een groepje studenten de tonen van hun gelach weerklinken op de oude houten balken op het plafond, en daar vlakbij kaarten enkele ouderen onder het genot van een sigaar. Zij verkiest ervoor om links achterin te gaan zitten, waar de ondergaande zon minder invloed op de helderheid van de omgeving uitoefent, waarop hij richting de toog stapt, die zich bevindt tussen hun tafeltje en die van het koppel.

De ochtendzon danst op haar gezicht, wanneer ze haar ogen opent. Pijnlijk verrast slaat ze haar hand voor haar ogen, totdat ze even haar adem inhoudt, de vingers spreidt en één oog opent om naar het raam te kijken; “shit, vergeten het gordijn te sluiten vannacht”, mompelt ze met schorre stem, die uit haar droge keel weerklinkt. Als ze naar de klok kijkt, wil ze als antwoord op het al onaangenaam late tijdstip met een ruk haar lichaam dwingen op te staan. Nadat haar bovenlijf een halve meter omhoog gekomen is, laat ze echter even snel haar verwarde hoofd met eenzelfde bos haar weer op het kussen vallen. “Auw...” fluistert ze zeurend tegen zichzelf. Als ze nog even blijft liggen hoort ze in de stilte haar eigen adem piepend een weg door haar halfverstopte neus zoeken en langzaamaan dringt de geur van sigaretten in combinatie met een flauwe geur van oud hout tot haar hersenen door.

Precies tweeëndertig minuten later draait ze haar voordeur los, om vervolgens in het naar haar zin veel te opgewekte gezicht te kijken die haar vrolijk begroet: “goedemorgen”. Als ze de deur weer vastdraait merkt ze dat ook haar door het water van de net iets te weinig verfrissende douche verzwaarde haar een speelbal van de wind is. Als ze zich met enige tegenzin aan zijn zijde vooruit werkt spreekt ze ook de eerste verstaanbare woorden van vandaag: “waren wij niet gisteren samen op café en gingen wij ook niet op hetzelfde tijdstip, na hetzelfde aantal pintjes naar huis?” “Tsja, maar jij was altijd degene die een kater had terwijl de rest nog gerust een uurtje langer door kon gaan en met een uurtje korter rust kon doen..”, klinken zijn woorden verontschuldigend maar met een niet geheel bedwongen genot. Ze staart ontdaan voor zich uit en brengt haar hand naar haar hoofd, om na enkele bonkende seconden teleurgesteld te spreken: “hmm, daar had ik niet meer over nagedacht”. Als ze twee stappen verder naast zich kijkt, kijkt ze in de heldere groen-blauwe ogen, met daaronder een mond die een steeds groter wordende glimlach niet kan onderdrukken. “Zo grappig vind ik het ook weer niet”, is haar geprikkelde reactie, terwijl ze zich maar weer snel afwendt en de grond onder haar voeten bekijkt. Als de lach langzaam is uitgedoofd, en zijn hoofd zich opheft, neemt ook hij de af te leggen weg in zich op. “Ik weet het niet zo goed”, spreekt hij verzonken in gedachten. “Ergens vind ik het nu wel grappig, maar zo leuk is het inderdaad uiteindelijk niet.” Ze laat zijn overwogen maar voor haar onverstaanbare woorden voor wat het is en betreurt nog eens met een van pijnvertrokken gezicht haar onbezonnen beschonken toestand van de avond daarvoor. Ze wandelen nog zwijgend een minuutje door, waarbij ze haar hand tegen de nog laaghangende zon, die haar ogen en al het achterliggende teistert. Hij kan het ondertussen niet laten een spelletje met het heldere lichtbaken te spelen door zijn ogen tot spleetjes te maken en zijn handen tot onbeduidende figuren te vormen. Als eindelijk een verlossend donker gebouw de zon van hun gezicht onttrekt, kan ze zich een beetje ontspannen en laat ze nog eens zijn woorden door haar hoofd schieten. “Je bent weer totaal vaag aan het doen, wat bedoel je?” “Denk na”, is zijn korte en voor haar nietszeggende antwoord. Ze pijnigt haar hoofd nog eens extra door over deze woorden te willen denken, terwijl haar wenkbrauwen elkaar in broederlijk onbegrip opzoeken. “Waar heb je het over?” zijn uiteindelijk haar gelaten woorden als resultaat van een zinloze zoektocht naar zin. “Ik ben zelden kort van stof”, is zijn laatst uitgedeelde hint, waarop ze even plompverloren, maar nu veel geïnteresseerder spreekt: “termijnplanning?”