“Ik ben op de zesde verdieping geweest.” Ze zegt het met ingehouden enthousiasme en vol verwachting. Hij draait abrupt zijn hoofd naar haar om en kijkt verbaasd en vragend. Ze knikt om het te bevestigen en hem aan te moedigen: “ja..., echt”. “Maar, hoe kan dat? We konden toch niet verder dan de vijfde?” “We hebben verkeerd gezocht. Het was niet te vinden waar we zochten,” reageert ze haast verontschuldigend. Hij kan het nog steeds niet goed bevatten. Zijn mond gaat open, zijn lippen bewegen, maar er komt geen geluid. Hij draait zijn hoofd weer terug en verzinkt in zijn gedachten. Het blijft even stil. Net als zij de vraag wil stellen, wordt ook bij hem enthousiasme zichtbaar als hij ineens opkijkt en zegt: “maar dat is heel dichtbij.” Hij staart nog even voor zich uit en wendt dan langzaam zijn hoofd om in haar stralende gezicht te kijken. Spanning wordt ontspanning als hun beide lippen zich vormen tot een eensgezinde glimlach. Tijd wordt even eeuwigheid als ze in elkaars ogen ontdekken dat ze hetzelfde denken. Ze begint langzaam te knikken, om te eindigen als de bevestiging iets steviger wordt. Zijn ogen glinsteren nu volop. Maar het moment wordt onderbroken door haar vraag: “durf jij?”. Zijn gezicht betrekt langzaam, maar steeds sneller, totdat er twijfel en wanhoop te lezen zijn. Ze beweegt haar gezicht iets opzij en de afstand tussen hun hoofden wordt iets kleiner. Ze kijkt vragend, al ziet hij dat ze hard haar best doet om bemoedigend te kijken. Hij kijkt weer voor zich uit en buigt uiteindelijk langzaam zijn hoofd. Het blijft even stil, waarna ze hem even hoort slikken. Dan draait hij zijn hoofd weer in haar richting, waardoor hij haar schuin aankijkt. “En jij?”, de vraag kaatst zich langzaam terug. Maar ook als de vraag haar bereikt heeft, betrekt haar gezicht niet. Ze kijkt nog steeds vriendelijk en vol vertrouwen. Daarna richt ze zich traag op, terwijl ze hem blijft aankijken en langzaam voor hem langs loopt. Ze steekt haar hand uit, waarna ze weer even stil staat. Als haar lippen zich tot een iets bredere glimlach vormen, beantwoordt hij zowel haar glimlach als haar zacht uitgesproken aanmoediging: “kom”.
Als de deur zich langzaam en opvallend stil heeft gesloten, merkt hij op dat het trappenhuis donker en kil is. Rondkijkend ziet hij dat de trap zich met schokken rechtsom naar boven krult. Hij voelt zich ongemakkelijk, maar laat zich aanmoedigen door haar vastberaden blik. De eerste treden zijn voorzichtig en aftastend. Het trappenhuis is laag, zodat hij zich moet bukken, maar hij merkt het nauwelijks, vanwege zijn focus op zijn voeten. Als hij achterom kijkt, ziet hij dat zijn handen een lichte streep op de donkere stoffige wand hebben achtergelaten. Zijn onzekerheid heeft een stukje licht op de muur getoverd. Als ze even stil staan, voelt hij dat haar hand de zijne zoekt. Als ze vervolgens verder gaan, merken ze beide dat hun passen zich synchroon versnellen. Zonder afspraak horen ze elkaar zachtjes tellen: “één..., twee..., drie...”. “We zijn op de helft”. Er klinkt verwachting, maar ook een beetje twijfel in haar stem. Ze kijkt langs de gammele en onzekere leuning naar beneden, om vervolgens haar blik naar boven te richten. Als ze daarna haar blik op zijn donkere ogen richt, ziet ze ondanks de combinatie van duister en donker toch een glinstering. Hij trekt haar klamme hand verder naar boven. Telkens als hij de binnenbocht van de trap neemt, wacht hij even, zodat ze weer bij kan komen. Als de vier en de vijf gepasseerd zijn en de zes nadert, voelt hij echter dat het steeds langer duurt voor ze weer naast hem staat. Op de zesde verdieping aangekomen blijft ze stilstaan. Ze buigt haar hoofd, waarna hij op zijn knieën gaat om in haar gezicht te kunnen kijken. Door het lengteverschil en haar kromme onzekere houding komt hij dicht bij haar gezicht, waar hij haar adem hoort en zachtjes op zijn wangen voelt neerdalen. Waar hij zes verdiepingen lager nog plezier en vasberadenheid zag, ziet hij nu vertwijfeling en wanhoop. Ze fluistert iets, maar zelfs in de onbreekbare stilte van haar adem is het niet te horen. Als hij met grotere ogen en een vriendelijke kleine glimlach haar weet te vragen naar haar woorden, fluistert ze nu iets harder: “Ik kan niet verder. Ik durf niet. Het gaat niet.” Hij opent zijn mond om te spreken, maar vindt geen woorden die een reactie waardig zijn, zodat hij niets anders kan doen dan haar zwijgend aanstaren. Na dertig seconden stilte fluistert ze opnieuw: “Ga maar. Laat je niet tegenhouden.” Hij weet dat hij niets anders kan en wil dan haar oproep gehoorzamen, zodat hij langzaam zijn lichaam weer opricht. Als hij langzaam achteruit schuifelt, merken ze dat hun handen uiteen glijden. Als hij zich omdraait naar de laatste trap, kijkt hij nog één keer om, om vervolgens zijn voeten zachtjes op de eerste treden te laten neerkomen. Langzaamaan versnelt hij iets, maar besef van snelheid of tijd lijkt hij al niet meer te hebben. Voor hem ziet hij vaag een deur opdoemen. Hij tuurt in de donkerte en vindt wat hij wist te vinden, maar hem toch nog verbaasd: “zeven”. Als hij de deur weifelend en klam nadert, voelt hij hoe het ritme van zijn hart absurde vormen aanneemt. Als hij de klink van de deur vastneemt sluit hij zijn ogen en haalt diep adem. Als zijn hand zich tergend langzaam naar beneden beweegt, wacht hij vrijheid of blokkering af. Het antwoord komt snel, als hij lichtjes aan de deur trekt, die direct een klein beetje meegeeft. Hij trekt nu wat harder en ziet de deur zich langzaam voor hem openen, waarna hij abrupt stilstaat. Hij doet één stap naar binnen en hoort of voelt niet meer dat de deur zich achter hem zachtjes piepend sluit. “Maar..”, zeggen zijn lippen zonder klank. Hij kijkt wanhopig en vragend rond. Dit kan niet de zevende verdieping zijn. In zijn gedachte gaat hij terug naar dat moment waar hij het nummer zag. Voorzichtig kijkt hij nog eens om een hoekje. Dan stapt hij aarzelend voort in de duisternis die geen duisternis zou moeten zijn. Hij tuurt en zijn ogen zoeken naar een streepje licht, maar niets dan chaos en die eeuwig verdomde duisternis. Hij versnelt nu zijn pas en stapt snel verder, om te blijven versnellen tot lopen. Elke ruimte loopt hij in, wanhopig om zich heen grijpend en constant schuddend met zijn hoofd. Het kan niet waar zijn. Als hij alle hoeken heeft gezien, staat hij verbijsterd rondjes te draaien in het midden van de ruimte, om daarna door zijn knieën te zakken. De tranen zoeken in snel opvolgend tempo een weg over zijn wangen naar zijn harde korte en volle baard om daarna door de zwaartekracht naar beneden te worden gezogen. Kort snikkend wil hij geluid uitbrengen, maar opnieuw slaagt hij er niet in. Hij heeft al tijden geen benul van tijd en omgeving meer, als hij ineens een geluid hoort. De deur. Voordat hij doorheeft wat er gebeurt, voelt hij zichzelf richting de deur sprinten. “Nee”, roept hij met schorre stem die overslaat in hoesten. “Nee!,” nu nog een keer duidelijker. Als hij bij de deur aankomt, merkt hij echter dat het al te laat is. Ze wacht hem al op in de deuropening, die tot zijn verbazing nog niet afgesloten is door de deur. Hijgend staat hij voor haar, met een desolate blik in zijn ogen, niet wetend wat hij nu moet doen of wat hij zou moeten denken. Na niet te tellen seconden, is het slechts haar zachte stem die hem in beweging brengt: “kom”.
10 jaar geleden
Geen opmerkingen:
Een reactie posten